De Doos van Pandora

Een onbekende zonderling

In één van de vele herbergen die Pandora als vermaard bedevaartsoord logischerwijs rijk was, zat een man achter een grote beker bier zijn leven te overschouwen. Het was omstreeks zonsondergang. Het achtergrondlawaai kon hem al lang niet meer uit zijn concentratie halen, maar als hij beter zou luisteren, zou hij staaltjes horen van de onzin die angstige mensen met luider stemme plegen te verkondigen. Deze uitlatingen werden echter overstemd door zijn persoonlijke zorgen, waarbinnen momenteel een tweetal thema’s te onderscheiden vielen, die niet geheel los stonden van de omgeving: ten eerste het feit dat zijn leren geldbeurs verdomd leeg begon aan te voelen, iets wat moeilijk te rijmen viel met het verlangen het aantal achterovergeslagen bierkroezen (hij was de tel al een tijdje kwijt) te verdubbelen, ten tweede was hij, na eerst lang de opschriften op de versleten massief houten tafel bestudeerd te hebben (het ging voornamelijk om obscene praat en holle oneliners), zijn leven, en vooral de meest recente gebeurtenissen, beginnen te beschouwen.

Hetgeen hem het meest beroerde, was het feit dat hij veilig in Pandora was geraakt, ondanks het feit dat hij dagen lang door de Wildernis had gereisd, dezelfde Wildernis die volgens stomgeslagen stadsbewoners al maanden lang het toneel was van uiterst schrikwekkende taferelen van bloed en geweld. Hij was hier geenszins van op de hoogte toen hij vanuit het zuidoosten, waar de planten anders zijn en zonnige dagen talrijker, de lange reis noordwaarts naar zijn geboortestreken had aangevat. Hij moest lachen: hij was dus doodleuk op zijn gemak door oorlogsgebied gereisd, zonder ook maar even te beseffen hoe groot het gevaar was geweest, waarin hij constant had verkeerd! Nochtans, als hij terugdacht aan de lange dagen op pad, moest hij toch vaststellen dat hij bijvoorbeeld bijzonder weinig vogels had gehoord… Maar hij was er geraakt zonder ook maar één schrammetje, nu ja, de occasionele schrammetjes van braamstruiken buiten beschouwing gelaten.

Of hij veilig was nu, dat was een heel andere vraag… En dan te bedenken dat hij naar het noorden was teruggekeerd om terug in aanraking te komen met zijn roots en zijn leven verder uit te bouwen na een lange vrijwillige ballingschap! Hij was immers moeten vluchten voor rivaliserende roofridders en stadsfunctionarissen die hem spuugzat waren. In het tropische zuiden had hij zich de voorbije jaren gesetteld als visser, ondanks zijn lichte waterfobie. Dat beroep van visser was wel het eindpunt van een lange zoektocht: hij had vele werkjes opgeknapt voor hij de hengel en het aas ter hand had genomen. Na een aantal jaren gebeurde echter wat hij van in het begin had gevreesd: hij was rusteloos geworden en verlangde naar iets nieuws. En nu zat hij in die vervloekte stad!

“Ach ja”, zei hij luidop, en hij stond recht voor hij het goed en wel doorhad. De waard maande hem tot voorzichtigheid aan, maar hij kon slechts mompelen ten antwoord. Hij strompelde naar de deur, gooide die open, en inhaleerde stevig de frisse avondlucht. De commotie en de spanning rondom hem konden hem nog steeds weinig schelen. Tot hij opgewonden stemmen hoorde aan de westpoort. Nieuwsgierig ging hij die richting uit, bijna struikelend over rondslingerend afval, zich vasthoudend aan geïrriteerde voorbijgangers. Aan de monumentale poort gekomen hoorde hij één of andere arrogante rijkaard roepen:

“De goden zij met u beste poortwachters! Ik ben Isaac…”

Comments

GeGo

I'm sorry, but we no longer support this web browser. Please upgrade your browser or install Chrome or Firefox to enjoy the full functionality of this site.