De Doos van Pandora

Een zwalpende dronkaard

“Wel, wel, wel, wat we daar hebben,” dacht hij, “Zonder twijfel een lid van de lokale adel, dezelfde adel die eertijds privémilities achter hem had gestuurd om hem in te rekenen, terwijl de nobele heren zelf geweld, afpersing en rooftochten niet schuwden om hun kisten te laten overlopen met goud.” De drank was het laatste om hem ervan te weerhouden dergelijke veralgemeningen te maken.

“Als ze denken dat ze ongestraft zullen blijven, kunnen ze maar beter tweemaal nadenken; tijd dat ik wedergeld krijg voor al die uren die ik doorbracht onder de twee spottende manen, gedroogde vis etend tot mijn stront ernaar rook”, zei hij tot zichzelf. Zijn misplaatste overmoed deed hem over het hoofd zien dat hij zijn uitrusting in de herberg had laten staan…Zijn uit goed hout gesneden vlakboog en zijn tas met proviand lagen meesterloos verborgen onder een zware tafel, wachtend op een gretige vinder. Het enige wat hij bij zich had, was zijn brede gordel, waaraan een diepe tas, een geldbeurs en een fraai, lang mes bevestigd waren. Over zijn degelijke, vooral functionele kledij droeg hij zijn trouwe kapmantel, getekend door vele uren zon en striemende regen, een beetje matter dan toen hij hem voor het eerst aantrok, maar nog steeds in staat hem af te schermen van de zweep van de weergoden.

Hij kneep zijn ogen dicht en tuurde naar de poort. Hij had een gevoel alsof hij na een maand op zee terug aan land was gekomen: recht lopen of stabiel staan was voorlopig te hoog gegrepen. Hij zag de wachters met de ruiter praten en toen hij merkte dat Gerlanus zijn richting uit kwam, probeerde hij zich tevergeefs in een goede vechthouding te positioneren (iets wat hem in nuchtere toestand beter zou lukken). “Typisch! Meneer Gulle Snoeshaan heeft die dwaze lansdrager ongetwijfeld wat goud toegestopt om voor hem het vuile werk op te knappen. Laat maar komen!” De sluier van de roes maakte het hem niet mogelijk Gerlanus’ goedaardige, behulpzame blik als zodanig te interpreteren. Hij zette zich schrap voor een eerste mep, maar net op dat ogenblik leek het alsof de wachter met een schok struikelde en neerviel; ‘s mans goedkope helm rolde rinkelend van zijn hoofd. Hij (=de dronkaard) wou het uitproesten, maar een fractie van een seconde later besefte hij dat er iets grondig mis was. Hij schuifelde naar de ter aarde gevallen Gerlanus en toen zag hij wat er gebeurd was: een lange, gave pijl uit donker hout en met een V-vormige punt strekte zich langs beide kanten van de gewonde hals uit. De laatste adem van het ongelukkige slachtoffer baande zich met een afgrijselijk reutelend, gorgelend geluid een weg door de luchtpijp. Gerlanus’ open mond voedde een uitdijende plas bloed, terwijl stuiptrekkingen het laatste leven uit de ledematen schudden.

Geschokt nam onze zonderlinge zwerver het dramatische tafereel in zich op. Hij had al eerder mannen zien sterven (zowel rechtschapen kerels als schurken), maar nog nooit van zo nabij of op zo’n gruwelijke, onpersoonlijke manier. Het was alsof alle bloed uit zijn hoofd wegtrok, de wereld begon nog heftiger te tollen en zijn maag stond op het punt zijn vorige maaltijd aan de buitenlucht terug te schenken. De kordate woorden van Isaac, die hij puur dankzij de toon verstond, sleurden hem uit zijn verdwaasde toestand, nadat zijn braaksel zich bij het vergoten levenssap van Gerlanus had gevoegd. Een adrenalinestoot gaf hem even voldoende kracht en nuchterheid om te reageren. Zonder na te denken bij wat hij deed, greep hij de zware Gerlanus onder de schouders vast en sleepte hij het levenloze lichaam richting de plaats waar de glanzende lans die, in tegenstelling tot zijn vroegere hanteerder, nog steeds trots rechtop stond tegen de dikke wallen. Een meter of twee voor de muur liet hij Gerlanus vallen en sprong hij tot bij het wapen dat hij zo stevig mogelijk vastgreep. Evenals Isaac drukte hij zich tegen de beschermende stenen (zij het aan binnenzijde van de wallen), zo hard zelfs dat het pijn deed. Hoewel hij vroeger al meermaals in gelijkaardige situaties was verzeild geraakt, was hij verschrikkelijk bang om één of andere reden. Iets klópte gewoonweg niet. Zonder Isaac aan te kijken riep hij hem met bevende stem toe: “Bij alle goden, zie je iets? Zeg me wat je ziet, man! Zie je de schoften? Zeg het me! Zeg het me dan!”

Comments

GeGo

I'm sorry, but we no longer support this web browser. Please upgrade your browser or install Chrome or Firefox to enjoy the full functionality of this site.