De Doos van Pandora

Een naderende schim

De helende lentezon was nog maar net aan de einder verdwenen waardoor de hemel van Xorodur in een wazig zalmroos gehuld werd. De lieflijke kleurtint gaf de versterkte vesting van Pandora een vredig uiterlijk dat in sterk contrast stond met de eigenaardigheden die de eeuwenoude stad de laatste maanden hadden opgeschrikt. Mysterieuze creaturen hadden de omliggende graanvelden en wouden hoogst onveilig gemaakt en een aantal onder hen had zelfs dood en vernieling weten zaaien in Pandora zelf. De wildste verhalen waren reeds vlug een eigen leven gaan leiden, maar de waarheid dient te gebieden dat niemand een lijfelijke ontmoeting met de onaardse demonen heeft weten navertellen. Het merendeel van de onfortuinlijke slachtoffers leek in lucht opgelost, maar andere prooien werden zwaar verminkt achtergelaten. De commandant van de stadswacht stond voor een volkomen raadsel. Voorlopig kon hij echter niet meer of minder doen dan het aantal patrouilles verdubbelen en hopen dat de goden hem weldra gunstiger gezind zouden zijn. Een nieuwe wansmakelijke nacht van dood en terreur zou hem immers wel eens zijn ijdele kop kunnen kosten. De grote Zyarch van Pandora had hem dit in niet mis te begrijpen woorden laten verstaan.

Ondertussen staarden beide poortwachters van dienst gespannen naar de twee volle manen die langzaamaan hun plaats aan het uitspansel innamen. De westelijke poort was vanaf het vallen van de nacht het enige mogelijke toevluchtsoord voor pelgrims en vreemdelingen die de nacht veilig in Pandora wensten door te brengen. Geen overbodige luxe nu de vesting in hoogste staat van paraatheid verkeerde en de omgeving door bloeddorstige wezens onveilig werd gemaakt. Gerlanus liet zijn blik abrupt van het firmament afdwalen toen hij in westelijke richting de contouren van een levend wezen meende te ontwaren. “Bij Mandrix, god van de argwaan en achterdocht!” Gerlanus stamelde angstig met zijn tanden stevig op elkaar geklemd. “Wat brengt een eerbiedwaardig mens op dit late uur nog van het Schemerige Schimmenwoud naar onze Heilige Stad?” “Dat zal je vermoedelijk vlugger weten dan je lief is.” Razon antwoordde gelaten terwijl hij zijn oogjes tot smalle streepjes kneep en de naderende schim in het halfduister probeerde te onderscheiden.

Comments

GeGo

I'm sorry, but we no longer support this web browser. Please upgrade your browser or install Chrome or Firefox to enjoy the full functionality of this site.