De Doos van Pandora

Tweespalt.

Brutaal baande de gravende pijn zich verder een weg door zijn gestel, kloppend en bijtend… De wereld stopte niet met tollen en hij had de indruk dat onder langzaam veranderde in boven. Waar de gekmakende steken halt hielden in zijn botten, was het alsof er plots een leger dwergen wanhopig zijn lichaam probeerde te ontvluchten, zoals zij dikwijls hun vertrouwde mijnen uitstormden na het ontwaren van een gaslek door de meest wakkere en minst hebzuchtige onder hen: met pikhouweel dwars door de gescheurde rotswanden… “Ach was ik jaren geleden toch maar niet aan die vierendeling ontsnapt”, hoorde hij zichzelf bijna wensen… Misschien zou dat inderdaad een mooiere dood geweest zijn.

Terwijl hij daar kronkelend en kermend onder de onverschillige sterrenhemel lag en het leed verder tegen zijn hele wezen bleef beuken, zoals het donkere water tegen zijn vissersboot in nauwelijks gelukkiger tijden, voelde hij langzaam een lauwe, plakkerige regen neerdalen, vergezeld door een even stroperige stem:

“Sluit jezelf aan bij mij, ik kan al je leed verzachten”.

Onmiddellijk voelde hij dat deze klanken niet afkomstig waren van de zeer eerbiedwaardige godheden die binnen de stadsmuren geëerd werden met offers van goud, reukwaren en jonge vruchten van het land. Met grote moeite hees hij zich met behulp van beide onderarmen enigszins recht. Hij ontwaarde heel in de verte, op de hoge, zware citadel van de stad de strenge godenbeelden die zich scherp aftekenden tegen een bevende, vuurrode hemel. Eerst dacht hij dat zijn ogen bedekt waren met een dikke laag bloed, maar toen besefte hij dat het het uitspanselwas dat levenssappen leek te verliezen. hij niesde een bloedprop uit zijn neus en richtte nochmaals zijn blik op naar de burcht in de hoop dat de beelden hem enig zichtbaar teken van steun of mededogen zouden gunnen. Ze bleven echter star en kil, als onaantastbare rotsen in een woelige zee, als ouders overtuigd van het ongelijk van hun kind, als een minares onvermurwbaar in haar afwijzing.

“Zij willen je niet helpen, mijn kind, richt dan toch je schreden naar mij”, hoorde hij de vaderlijke stem wederom proberen. “ik wéét welke lepel je ziel geen rust gunt, ik kén de wrok die je koesterde in de duisternis van honderden nachten op het water dat je vreest, terwijl je keer op keer je vangst zag afnemen, recht evenredig met de inhoud van je beurs”.

Om hem te tergen toverde een wrede macht even zijn leed om in een frisse, zoete geur die zijn hele zijn verzadigde…

“Nee!” wilde hij uitroepen, maar de ongeziene macht was zijn antwoord voor; onaardse, pijn vulde opnieuw al zijn lichaamsholtes.

Het sublieme, morele gevecht ging door in zijn binnenste, de ene overweging volgde op de andere zoals de bewegingen van staal in een kundig gestreden duel. Uiteindelijk verdween het helse, onreine suikerwater uit de lucht en zijn pijn nam weer profane proporties aan, zonder dat hij wist welke beslissing hij uiteindelijk voor zichzelf had genomen. Dit stemde hem tot aanzienlijke ongerustheid. Om ambigue gedachten te omzeilen kijk hij uit naar Isaac, die hij schaapachtig in de verte zag turen op een paar passen van hem vandaan:

Even verlangde hij zijn lange mes in de hals van de snob te planten, maar deze zieke ingeving, die hem van buitenaf toegefluisterd leek te zijn, verjoeg hij haastig met luchtige woorden:

“Je ziet eruit alsof je zuster je geslagen heeft”, grapte hij met een halfslachtige glimlach…

Comments

awright, vewy nice my fwiend! Ik tracht spoedig een vervolg te bedenken en hier neer te planten.

Tweespalt.
GeGo

I'm sorry, but we no longer support this web browser. Please upgrade your browser or install Chrome or Firefox to enjoy the full functionality of this site.