De Doos van Pandora

Ein Heller Schein Am Firmament. Mein Herz brennt...

De pijlschacht stak nu loodrecht doorheen de rechterschouder van de dronken zwerver. De punt had ongetwijfeld een slagader doorboord, want het bloed gutste met horten en stoten over zijn borstkas waardoor zijn tuniek weldra doorweekt was. Voorzichtig probeerde de landloper op zijn linkerelleboog te steunen om terug rechtop te kunnen staan. Door het hevige bloedverlies zag hij echter al gauw talloze sterretjes en leek het hem wijselijk om voor dood op de grond te blijven liggen. Zelfs de grote hoeveelheid gerstenat, die de kastelein hem eerder die avond had voorgeschoteld, was klaarblijkelijk onvoldoende om de helse pijn te camoufleren. De voltreffer van de kruisboog had hem weliswaar niet dodelijk verwond, maar was wel voldoende om hem tijdelijk buiten strijd te stellen.

De twee duistere creaturen hadden het echter ook allerminst getroffen. De lans van de vagebond stak immers loodrecht doorheen het voorhoofd van zijn belager en diens kompaan leek dodelijk getroffen door het zwaard van de jonge prins. Beide wezens vertoonden geen enkel teken van leven en leken zonder hulp van de kwaadaardige magiër ten dode opgeschreven. Met een stevige tred begaf Isaac zich dan ook naar zijn gevallen kameraad om te polsen hoe ernstig het met hem gesteld was.

Nog voordat Isaac de zwerver bereikte kleurde de donkere avondhemel echter onverhoeds vuurrood. Onaangekondigd daalde een stroperige nevelsliert langzaam neer van het helkleurige firmament. Isaac staarde met wijd opengesperde ogen naar het tafereel dat erg onrealistisch en morbide aandeed. Bij zijn thuiskomst zou hij heel wat te vertellen hebben aan zijn trouwe hofhouding en als hij deze nacht overleefde zouden narren en troubadours zijn heldendaden gedurende vele jaren bezingen. Als Isaac zijn waarneming hem niet bedroog, meende hij in de mist zelfs duivelse gezichten te ontwaren en satanische stemmen te horen. In koor fluisterden ze: Selal tinwerov dodo ed, Selal tinwerov dodo ed, Selal tinwerov dodo ed...

De mysterieuze nevel negeerde Isaac evenwel volledig en zette gestaag koers naar de twee gewonde Urzai. Nadat de mistsluier de gevallen demonen bereikte, verdichtte de nevel korstondig waardoor de creaturen van de magiër aan het zicht werden ontrokken. Toen de mist even plotseling verdween als ze was verschenen, leek het alsof de Urzai er nooit waren geweest. Zelfs de geworpen lans was spoorloos verdwenen…

View
Klaar om erop los te hakken...

Isaac had Razon zien vallen, hij had de schimmen tevoorschijn zien komen, de donkere magiër het gebaar zien maken om hem vervolgens te zien omdraaien, terug verdwijnen in de duisternis. Bij dit alles had hij tegen de stadsmuur gestaan en gewacht, gewacht op een kans. Wanneer hij het wezen, wat hij op het eerste zicht als een dwerg zou classificeren, op zich zag afstormen kreeg hij die kans. Hij voelde geen angst, geen drang om de confrontatie uit de weg te gaan. Als hij al iets voelde was het opluchting. Eindelijk actie, eindelijk kon hij iets ondernemen waarmee hij de situatie naar zijn hand kon zetten.

Het eerste wat hij deed, instinctief, was zijn zwaard uit de schede halen, uiterst snel en vloeiend. De korte blikkering en het gladde geluid dat het zwaard maakte verraadde dat Isaac deze handeling al wel eens eerder had uitgevoerd.

Hij voelde de muur in zijn rug en waar de harde stenen hem eerst een gevoel van beschutting hadden gegeven, gaf de stadsmuur hem nu het gevoel van beperking. Hij zette vijf stevige stappen voorwaarts en haalde terwijl het zwaard met beide handen omhoog, rechtop, ter hoogte van zijn schouder. Hij was klaar om erop los te hakken. Op het moment dat de Urzai vertrokken was had Isaac de hakbijl al gezien. Het wezen naderde zeer snel en zwaaide vervaarlijk met de bijl. In de enkele seconden dat het duurde tot het wezen binnen het bereik van zijn zwaard was, nam Isaac het wezen in zich op, maakte schattingen naar grootte, kracht, snelheid en vaardigheid. Hij zag de bewegingen die het wezen maakte en vormde zich een beeld van zijn tegenstander. Een ander had misschien een meer defensieve houding aangenomen tegenover een onbekende tegenstander, maar Isaac ging ervan uit dat deze kleinere tegenstander, met ook een inferieur wapen, geen maat was voor hem. Het gevecht was in zijn hoofd al afgelopen…

Op het allerlaatste moment dat Isaac binnen het bereik van de ondode was zette Isaac bliksemsnel twee grote stappen opzij. Hierdoor was de opgebouwde snelheid van de Urzai nutteloos geworden en schoot hij Isaac voorbij. Nu moest de Urzai afremmen en zich omdraaien. Maar Isaac had alles uitgerekend en terwijl het wezen nog tegen zijn eigen snelheid vocht maakte de jonge prins al een eerste zwaai met zijn zwaard. Met beide handen om zoveel mogelijk kracht te kunnen gebruiken liet hij het zwaard van zijn rechterschouder een allesvernietigende boog maken, schuin naar onderen. De Urzai kon in een reflex zijn hakblij nog opwerpen ter verdediging, maar de machtige haal van Isaac sloeg de bijl uit het machteloze hand van zijn tegenstander. De Urzai had nog maar net door dat hij ontwapend was toen Isaac al een tweede zwaai aanvatte. Isaac zette hierin nogmaals alle kracht die hij bezat en het zwaard kliefde, na de laatste adem van zijn tegenstander te hebben gespleten, een aanzienlijk deel van de Urzai zelf. Zijn zwaard kwam tot stilstand. Isaac zette zijn voet tegen het middel van de dwerg en gaf een korte trek aan zijn zwaard. De Urzai viel ter aarde en Isaac zuchtte.

Het gemak en de snelheid waarmee de jonge prins het zwaard uit de verminkte ondode haalde verraadde dat hij deze handeling al wel eens eerder had uitgevoerd.

Hij stak het zwaard terug in de schede terwijl hij rondkeek. De magiër was verdwenen. Zijn ogen zochten nu de dronkaard. Had hij misschien hulp nodig?

View
De marter in een hoek gedreven...

“Heilige Sjit, helper in uitzichtloze situaties, sta me bij”, prevelde de dronkaard, die aan de grond genageld stond van de schrik.

Zijn blik wisselde voortdurend tussen de koud glinsterende punt van de pijl die voor hem gereed lag en het schild van Gerlanus dat net buiten het bereik van zijn voeten gevallen was. Hij duwde zich nog harder tegen de bemoste stadswal in de hoop dat de stenen achter hem, hem zouden opnemen in een veilig onderkomen. Helaas, ze smolten niet om hem heen. Hij bidde om een geheime deur in de muur waar hij door zou kunnen vallen, maar werd niet verhoord. Hij zat in de val. Het weerzinwekkende schepsel versperde de weg naar de stad. Het keek hem niet aan, maar staarde uitdrukkingsloos in het ijle. De wezenloze blik contrasteerde fel met de vastberadenheid waarmee de kruisboog op hem gericht was.

De ondode leek wel eeuwig te wachten met het overhalen van de trekker… Schepte die oude smeerlap van een magiër er genoegen in om zijn slachtoffers eerst nog in hun broek te laten doen voor hij hen liet executeren? Deze vreemde pauze leek niet in het rijtje van koelbloedige uitschakelingen te passen…

De dronkaard voelde een warme bron in zich opwellen, de wil om te overleven… Zijn lichaam was helemaal opgespannen, zoals de pees die de pijl elk moment op zijn dodelijke koers kon lanceren…Zijn greep rond de lans verstrakte; met één beweging flitste hij opzij en slingerde hij de lans in de richting van het abominabele creatuur… Bijna perfect gelijktijdig weerklonk voor de derde maal een zoevend geluid; de dronkaard greep naar zijn rechterschouder waar bloed uit gutste…Een stekende pijn verspreidde zich, het was alsof helse termieten gangen groeven door zijn botten…

View
De komst van de Urzai

De dwingende vraag van de halfdronken zwerver weerklonk hol in de avondschemering. Stuk voor stuk huiverden de leden van het drietal bij de aanblik van de vermoorde Gerlanus. Ze vreesden dat iedere seconde hun laatste zou kunnen zijn. Iemand die een stadswachter van Pandora zonder blikken of blozen durfde te doden, zou er niet voor terugdeinzen om twee volslagen vreemdelingen om het leven te brengen.

Nog voordat Isaac de kans kreeg een ontkennend antwoord te geven op de vraag van de dronkaard, zoefde er al een tweede pijl door de lucht. Razon maakte op geen enkel ogenblik een schijn van kans. Hij was reeds dood voordat zijn lichaam de grond raakte. De schacht van de pijl had de hartstreek van de tweede poortwachter volledig doorboord. De handgesneden pijlveren kleurden onmiddellijk donkerrood van het bloed en de brede fijngeslepen pijlpunt was duidelijk ontworpen om grote wonden toe te brengen. De signaalhoorn bungelde nu doelloos rond Razon zijn hals, die in een vreemde knik op de grond lag. Zijn bloeddoorlopen ogen waren wijd opengesperd en zijn wazige blik stond op oneindig. In die allerlaatste seconden had Razon geen enkele hoop gekoesterd…

Nu beide Westelijke poortwachters dood waren stonden de twee vreemdelingen er verslagen bij. Nog vooraleer zij de beschutting van de binnenstad konden opzoeken traden er drie schimmen uit de inktzwarte duisternis naar voren. De centrale figuur was zonder twijfel een eeuwenoude en doortrapte magiër. Zijn gelaat was overwegend bedekt met een hagelwitte groezelige baard en in zijn hand hield hij een weelderig versierde ebbenhouten staf. De bovenlip van de magiër krulde onheilspellend naar boven en hij liet zijn rotte voortanden zien. Zelfs van op een beperkte afstand hing de intense stank van dood en verderf om hem heen. De oude magiër werd geflankeerd door twee afgrijselijke Urzai. Eén van hen hield in zijn linkerhand de kruisboog die Razon en Gerlanus zonder twijfel om het leven had gebracht. Het wapen was nog steeds gespannen en klaar om opnieuw te vuren. De andere Urzai verloor Isaac geen seconde uit het oog terwijl hij vervaarlijk met een handbijl zwaaide. In hun ogen stond geen afgunst, haat of bitterheid te lezen, enkel een peilloze diepte.

Onaangekondigd wees de grijnzende magiër zelfvoldaan met zijn staf in de richting van de twee vreemdelingen die nog in leven waren. Op aangeven van dit geraffineerde teken snelde de Urzai, voorzien van een hakbijl, als een stormram in de richting van Isaac. Zijn enige doel was om hem te doden. De andere Urzai legde zijn kruisboog aan en mikte rustig op het hoofd van de halfdronken zwerver. De magiër zelf trok zich met trage schreden en een onheilspellende grimas terug in het avondduister. Het laatste wat Isaac van hem zag was de punt van zijn smerige hoed die kortstondig oplichtte in het donker…

View
Een zwalpende dronkaard

“Wel, wel, wel, wat we daar hebben,” dacht hij, “Zonder twijfel een lid van de lokale adel, dezelfde adel die eertijds privémilities achter hem had gestuurd om hem in te rekenen, terwijl de nobele heren zelf geweld, afpersing en rooftochten niet schuwden om hun kisten te laten overlopen met goud.” De drank was het laatste om hem ervan te weerhouden dergelijke veralgemeningen te maken.

“Als ze denken dat ze ongestraft zullen blijven, kunnen ze maar beter tweemaal nadenken; tijd dat ik wedergeld krijg voor al die uren die ik doorbracht onder de twee spottende manen, gedroogde vis etend tot mijn stront ernaar rook”, zei hij tot zichzelf. Zijn misplaatste overmoed deed hem over het hoofd zien dat hij zijn uitrusting in de herberg had laten staan…Zijn uit goed hout gesneden vlakboog en zijn tas met proviand lagen meesterloos verborgen onder een zware tafel, wachtend op een gretige vinder. Het enige wat hij bij zich had, was zijn brede gordel, waaraan een diepe tas, een geldbeurs en een fraai, lang mes bevestigd waren. Over zijn degelijke, vooral functionele kledij droeg hij zijn trouwe kapmantel, getekend door vele uren zon en striemende regen, een beetje matter dan toen hij hem voor het eerst aantrok, maar nog steeds in staat hem af te schermen van de zweep van de weergoden.

Hij kneep zijn ogen dicht en tuurde naar de poort. Hij had een gevoel alsof hij na een maand op zee terug aan land was gekomen: recht lopen of stabiel staan was voorlopig te hoog gegrepen. Hij zag de wachters met de ruiter praten en toen hij merkte dat Gerlanus zijn richting uit kwam, probeerde hij zich tevergeefs in een goede vechthouding te positioneren (iets wat hem in nuchtere toestand beter zou lukken). “Typisch! Meneer Gulle Snoeshaan heeft die dwaze lansdrager ongetwijfeld wat goud toegestopt om voor hem het vuile werk op te knappen. Laat maar komen!” De sluier van de roes maakte het hem niet mogelijk Gerlanus’ goedaardige, behulpzame blik als zodanig te interpreteren. Hij zette zich schrap voor een eerste mep, maar net op dat ogenblik leek het alsof de wachter met een schok struikelde en neerviel; ‘s mans goedkope helm rolde rinkelend van zijn hoofd. Hij (=de dronkaard) wou het uitproesten, maar een fractie van een seconde later besefte hij dat er iets grondig mis was. Hij schuifelde naar de ter aarde gevallen Gerlanus en toen zag hij wat er gebeurd was: een lange, gave pijl uit donker hout en met een V-vormige punt strekte zich langs beide kanten van de gewonde hals uit. De laatste adem van het ongelukkige slachtoffer baande zich met een afgrijselijk reutelend, gorgelend geluid een weg door de luchtpijp. Gerlanus’ open mond voedde een uitdijende plas bloed, terwijl stuiptrekkingen het laatste leven uit de ledematen schudden.

Geschokt nam onze zonderlinge zwerver het dramatische tafereel in zich op. Hij had al eerder mannen zien sterven (zowel rechtschapen kerels als schurken), maar nog nooit van zo nabij of op zo’n gruwelijke, onpersoonlijke manier. Het was alsof alle bloed uit zijn hoofd wegtrok, de wereld begon nog heftiger te tollen en zijn maag stond op het punt zijn vorige maaltijd aan de buitenlucht terug te schenken. De kordate woorden van Isaac, die hij puur dankzij de toon verstond, sleurden hem uit zijn verdwaasde toestand, nadat zijn braaksel zich bij het vergoten levenssap van Gerlanus had gevoegd. Een adrenalinestoot gaf hem even voldoende kracht en nuchterheid om te reageren. Zonder na te denken bij wat hij deed, greep hij de zware Gerlanus onder de schouders vast en sleepte hij het levenloze lichaam richting de plaats waar de glanzende lans die, in tegenstelling tot zijn vroegere hanteerder, nog steeds trots rechtop stond tegen de dikke wallen. Een meter of twee voor de muur liet hij Gerlanus vallen en sprong hij tot bij het wapen dat hij zo stevig mogelijk vastgreep. Evenals Isaac drukte hij zich tegen de beschermende stenen (zij het aan binnenzijde van de wallen), zo hard zelfs dat het pijn deed. Hoewel hij vroeger al meermaals in gelijkaardige situaties was verzeild geraakt, was hij verschrikkelijk bang om één of andere reden. Iets klópte gewoonweg niet. Zonder Isaac aan te kijken riep hij hem met bevende stem toe: “Bij alle goden, zie je iets? Zeg me wat je ziet, man! Zie je de schoften? Zeg het me! Zeg het me dan!”

View
Opperste verwarring

Isaac had zich op het moment dat de zonderling verscheen afkeurend omgedraaid naar zijn merrie. Hij was Kleo aan het strelen op bek en hals en was haar goedkeurende woordjes aan het toefluisteren toen de moordende pijl door de lucht schoot. Het zoeven van de pijl en het daaropvolgende ploffende geluid van de gevelde poortwachter deden Isaac over zijn schouder kijken. Hij zag de poortwachter neerliggen met een pijl door zijn nek. Op dat moment namen zijn reflexen, tot het uiterste afgesteld door jarenlange training, het over. Hij negeerde het ontluikende, scherpe gevoel van angst dat zich diep in zijn buik begon te nestelen. Hij voorkwam dat hij onbedachtzaam in elkaar zou duiken, maar verplichtte zich om helder te blijven denken.

Zijn rechterhand rustte al vanaf het moment dat hij de wachter had zien liggen op zijn zwaard. Maar nu besefte hij dat het gevaar van een boogschutter (of iets dergelijks) afkomstig was en dat hij met zijn zwaard hier dus niets kon doen. Bovendien bevonden hij en Kleo zich in een zeer slechte positie. De aanvaller kon elk moment een volgende pijl op één van hen twee afschieten zo hij koos. Hij schoot in actie: Isaac nam Kleo bij het bit en trok haar naar de stadswal. Daar drukte hij haar zo goed mogelijk tegen de wand. “Blijf Kleo!” riep hij. Hij wist dat de merrie ook het gevaar gevoeld had en dat ze zou blijven staan. Hij drukte zichzelf ook tegen de muur. Dan zag hij dat de tweede wachter nog steeds met grote ogen en vol ongeloof en/of afgrijzen naar zijn gevallen maat keek. “Wachter! He, wachter! Sla alarm, doe iets!!” Isaac was vastbesloten om de situatie onder controle te krijgen. Controle, hij was niets anders gewoon. Hij haalde de boog van zijn rug en nam een pijl ter hand. Hij drukte zijn rug tegen de muur en schoof op naar de poort. Hij stond nu half in de poortopening, van hieruit kon hij ook binnen in de stad kijken. Isaac zag de gevelde poortwachter liggen en iets verder de dronkaard staan. “Zoek toch dekking man, zo meteen volg je de wachter naar de eeuwige kroegentochten.” Isaac wende zijn blik af van de man en keek gespannen rond. Hij trachtte de onbekende aanvaller te vinden en moest hij hem vinden zou hij onmiddellijk een schot in zijn richting lossen, hopend het gevaar uit te schakelen…

View
Een gunstig gesternte

Gerlanus staarde gerustgesteld naar de innemende verschijning van de rijke edelman en zijn forsgebouwde donkerbruine merrie. Voorzichtig slaakte de poortwachter een zucht van verlichting terwijl hij zijn ogen kortstondig sloot. Voor hetzelfde geld was Gerlanus één van de nietsontziende monsters tegen het lijf gelopen. Zijn vechtkunsten lieten ondanks zijn functie als poortwachter zodanig te wensen over dat hij het hoogstwaarschijnlijk niet had kunnen navertellen. Bovendien had hij als trouwe echtgenoot en trotse vader van vijf kinderen op het thuisfront voldoende hongerige monden te voeden. Loriana had hem meermaals gesmeekt om een deftig ambacht te leren of zich om te laten scholen tot handelaar. Gerlanus had de goede raad van zijn eega echter in de wind geslagen en nu stond hij met zijn beste vriend Razon voor de westpoort de wacht te houden.

De warme welkomstwoorden van de ruiter haalden Gerlanus abrupt uit zijn diepe overpeinzing. Met vastberaden stem diende hij de ingebeelde edelman van repliek. “Gegroet Isaac, u moet ongetwijfeld onder een gunstig gesternte geboren zijn om op zulk laat uur nog ongeschonden uit het Schemerige Schimmenwoud te komen.” Nog voordat Isaac de bedeesde poortwachter van repliek kon dienen werd hun gesprek echter verstoord door onachtzaam gestommel. Een hulpeloze dronkaard probeerde zich net voor de westelijke ingang angstvallig staande te houden. Razon wierp een geërgerde blik op de drinkebroer die duidelijk al een tijdje boven zijn theewater was. “De waard van De Gulden Roos heeft overduidelijk gouden zaken gedaan vanavond,” om zijn kwinkslag kracht bij te zetten toverde Razon spontaan een voldane glimlach op zijn gelaat. Gerlanus was behulpzamer van aard en nadat hij zijn glimmende lans tegen de stadswal geplaatst had draaide zich van de jonkheer weg om het waggelende biervat ondersteuning te gaan bieden.

Op dat eigenste moment werd de schemerige avondlucht door een intens zoevend geluid doorkliefd. Als door een bliksemslag getroffen zakte Gerlanus met open mond door zijn knikkende knieën. Zijn ogen rusteloos rondtollend in hun kassen terwijl een dun straaltje bloed over zijn lippen stroomde. Een stevige houten pijl had zich dwars door zijn halsslagader geboord. Gerlanus zijn ergste nachtmerrie was werkelijkheid geworden…

View
Een onbekende zonderling

In één van de vele herbergen die Pandora als vermaard bedevaartsoord logischerwijs rijk was, zat een man achter een grote beker bier zijn leven te overschouwen. Het was omstreeks zonsondergang. Het achtergrondlawaai kon hem al lang niet meer uit zijn concentratie halen, maar als hij beter zou luisteren, zou hij staaltjes horen van de onzin die angstige mensen met luider stemme plegen te verkondigen. Deze uitlatingen werden echter overstemd door zijn persoonlijke zorgen, waarbinnen momenteel een tweetal thema’s te onderscheiden vielen, die niet geheel los stonden van de omgeving: ten eerste het feit dat zijn leren geldbeurs verdomd leeg begon aan te voelen, iets wat moeilijk te rijmen viel met het verlangen het aantal achterovergeslagen bierkroezen (hij was de tel al een tijdje kwijt) te verdubbelen, ten tweede was hij, na eerst lang de opschriften op de versleten massief houten tafel bestudeerd te hebben (het ging voornamelijk om obscene praat en holle oneliners), zijn leven, en vooral de meest recente gebeurtenissen, beginnen te beschouwen.

Hetgeen hem het meest beroerde, was het feit dat hij veilig in Pandora was geraakt, ondanks het feit dat hij dagen lang door de Wildernis had gereisd, dezelfde Wildernis die volgens stomgeslagen stadsbewoners al maanden lang het toneel was van uiterst schrikwekkende taferelen van bloed en geweld. Hij was hier geenszins van op de hoogte toen hij vanuit het zuidoosten, waar de planten anders zijn en zonnige dagen talrijker, de lange reis noordwaarts naar zijn geboortestreken had aangevat. Hij moest lachen: hij was dus doodleuk op zijn gemak door oorlogsgebied gereisd, zonder ook maar even te beseffen hoe groot het gevaar was geweest, waarin hij constant had verkeerd! Nochtans, als hij terugdacht aan de lange dagen op pad, moest hij toch vaststellen dat hij bijvoorbeeld bijzonder weinig vogels had gehoord… Maar hij was er geraakt zonder ook maar één schrammetje, nu ja, de occasionele schrammetjes van braamstruiken buiten beschouwing gelaten.

Of hij veilig was nu, dat was een heel andere vraag… En dan te bedenken dat hij naar het noorden was teruggekeerd om terug in aanraking te komen met zijn roots en zijn leven verder uit te bouwen na een lange vrijwillige ballingschap! Hij was immers moeten vluchten voor rivaliserende roofridders en stadsfunctionarissen die hem spuugzat waren. In het tropische zuiden had hij zich de voorbije jaren gesetteld als visser, ondanks zijn lichte waterfobie. Dat beroep van visser was wel het eindpunt van een lange zoektocht: hij had vele werkjes opgeknapt voor hij de hengel en het aas ter hand had genomen. Na een aantal jaren gebeurde echter wat hij van in het begin had gevreesd: hij was rusteloos geworden en verlangde naar iets nieuws. En nu zat hij in die vervloekte stad!

“Ach ja”, zei hij luidop, en hij stond recht voor hij het goed en wel doorhad. De waard maande hem tot voorzichtigheid aan, maar hij kon slechts mompelen ten antwoord. Hij strompelde naar de deur, gooide die open, en inhaleerde stevig de frisse avondlucht. De commotie en de spanning rondom hem konden hem nog steeds weinig schelen. Tot hij opgewonden stemmen hoorde aan de westpoort. Nieuwsgierig ging hij die richting uit, bijna struikelend over rondslingerend afval, zich vasthoudend aan geïrriteerde voorbijgangers. Aan de monumentale poort gekomen hoorde hij één of andere arrogante rijkaard roepen:

“De goden zij met u beste poortwachters! Ik ben Isaac…”

View
Een naderende schim

De helende lentezon was nog maar net aan de einder verdwenen waardoor de hemel van Xorodur in een wazig zalmroos gehuld werd. De lieflijke kleurtint gaf de versterkte vesting van Pandora een vredig uiterlijk dat in sterk contrast stond met de eigenaardigheden die de eeuwenoude stad de laatste maanden hadden opgeschrikt. Mysterieuze creaturen hadden de omliggende graanvelden en wouden hoogst onveilig gemaakt en een aantal onder hen had zelfs dood en vernieling weten zaaien in Pandora zelf. De wildste verhalen waren reeds vlug een eigen leven gaan leiden, maar de waarheid dient te gebieden dat niemand een lijfelijke ontmoeting met de onaardse demonen heeft weten navertellen. Het merendeel van de onfortuinlijke slachtoffers leek in lucht opgelost, maar andere prooien werden zwaar verminkt achtergelaten. De commandant van de stadswacht stond voor een volkomen raadsel. Voorlopig kon hij echter niet meer of minder doen dan het aantal patrouilles verdubbelen en hopen dat de goden hem weldra gunstiger gezind zouden zijn. Een nieuwe wansmakelijke nacht van dood en terreur zou hem immers wel eens zijn ijdele kop kunnen kosten. De grote Zyarch van Pandora had hem dit in niet mis te begrijpen woorden laten verstaan.

Ondertussen staarden beide poortwachters van dienst gespannen naar de twee volle manen die langzaamaan hun plaats aan het uitspansel innamen. De westelijke poort was vanaf het vallen van de nacht het enige mogelijke toevluchtsoord voor pelgrims en vreemdelingen die de nacht veilig in Pandora wensten door te brengen. Geen overbodige luxe nu de vesting in hoogste staat van paraatheid verkeerde en de omgeving door bloeddorstige wezens onveilig werd gemaakt. Gerlanus liet zijn blik abrupt van het firmament afdwalen toen hij in westelijke richting de contouren van een levend wezen meende te ontwaren. “Bij Mandrix, god van de argwaan en achterdocht!” Gerlanus stamelde angstig met zijn tanden stevig op elkaar geklemd. “Wat brengt een eerbiedwaardig mens op dit late uur nog van het Schemerige Schimmenwoud naar onze Heilige Stad?” “Dat zal je vermoedelijk vlugger weten dan je lief is.” Razon antwoordde gelaten terwijl hij zijn oogjes tot smalle streepjes kneep en de naderende schim in het halfduister probeerde te onderscheiden.

View

I'm sorry, but we no longer support this web browser. Please upgrade your browser or install Chrome or Firefox to enjoy the full functionality of this site.